Diepenveens water: van pomp naar kraan
[Marian Krus en Inke Mensink, DiepenvEens 54 mrt 2026]
‘Toen ik jong was haalden we water uit de put voor het huis. Als het in de zomer lang droog was geweest, kwam er met het water een lading zand en pieren mee naar boven’. Voor ons nu niet meer goed voor te stellen, maar een dorpsgenoot vertelde dit in de zestiger jaren nog meegemaakt te hebben in Diepenveen. We staan er eigenlijk nauwelijks bij stil, schoon drinkwater dat ruim voorhanden is. Maar historisch gezien is dat niet zo gewoon. Eeuwenlang werd regenwater, water uit rivieren, kanalen, sloten, grachten, putten en grondwater gebruikt als drinkwater. Op veel van die wateren werd ook geloosd, dus zo schoon was dat water niet. Met de bevolkingsgroei en de industrialisatie nam de vervuiling van het water toe. ‘Het water was soms wit van melkresten en ook wel rood, geel of groen door het water dat van de kokosfabriek kwam’, herinneren oude Diepenveners zich nog.
In de 19e eeuw, na meerdere cholera-epidemieën, groeide bij medici het besef dat de kwaliteit van het water bijdroeg aan het ontstaan en verspreiden van ziektes. Zij ijverden samen met betrokken burgers voor de aanleg van drinkwaterleidingen. Maar daar was heel veel geld voor nodig.
¬ De eerste waterleiding
Amsterdam beschikte als eerste stad over schoon drinkwater. Engelse investeerders leenden 2,5 miljoengulden om een 23 kilometer lang buizenstelsel van de duinen naar de stad aan te leggen. Op 12 december1853 konden Amsterdammers voor het eerst schoon drinkwater kopen voor 1 cent per emmer. De kostengingen in rap tempo omhoog, waarop de gemeente Amsterdam in 1896 besloot de Duinwater Maatschappij over te nemen.
¬ Waterleiding in Overijssel
In Oost-Nederland werd voornamelijk grond- en oppervlaktewater gebruikt naast opgevangen regenwater. Insteden werden ook pompen en putten ‘ten algemene nutte’ aangelegd. Diepenveen kreeg in 1875 een zwengelpomp voor algemeen gebruik. Deze is nog steeds te zien aan de Kerkstraat in Diepenveen.
¬ Van particulier initiatief naar overheidsbeleid
Tijdens de cholera-epidemie in 1883 verzocht het ministerie van Binnenlandse Zaken de gemeenten om te rapporteren over de waterkwaliteit in de gemeenten. In de Zwolsche Courant van 11 februari 1884 staat een overzicht van de situatie in Overijssel. In sommige gemeenten werd schoon regen- of welwater rondgebracht, omdat daar uit putten en pompen vervuild water kwam. Diepenveen had schoon, veilig welwater, maar voor water uit het kanaal werd wel gewaarschuwd. Deze cholera-epidemie maakte in heel Nederland mensen wakker, er moest iets gebeuren aan de kwaliteit van het drinkwater. Op diverse plekken in Overijssel en elders startten groepen burgers en gemeenten met het ontwikkelen van plannen voor de aanleg van drinkwaterleidingnetten en de benodigde infrastructuur. Vanuit de provinciale overheid werd daarvoor beleid ontwikkeld, zoals vergunningen voor de aanleg van infrastructuur, regelgeving voor waterleidingmaatschappijen en toezicht op de kwaliteit van het drinkwater. Het Rijk ging zich er pas veel later mee bemoeien. In 1913 werd het Rijksbureau voor de Drinkwatervoorziening opgericht met als doel om praktische, technische en administratieve ondersteuning te bieden bij de ontwikkeling van en het toezicht op de drinkwatervoorziening in Nederland, ‘om besmettelijke ziekten te bestrijden en te zorgen voor schoon drinkwater’. Pas in 1957 ontstond landelijke wetgeving met de invoering van de Waterleidingwet en het Drinkwaterbesluit. In 2011 werden die vervangen door de nu nog fungerende Drinkwaterwet en het Drinkwaterbesluit.
¬ Ontwikkeling in Overijssel
Eerder dan Diepenveen en andere kleinere gemeentes in de buurt begon Deventer met het ontwikkelen van plannen voor een drinkwaternet. Na twintig jaar praten en plannen maken werd daar in 1890 het Gemeentelijk Hogedruk Waterleidingbedrijf opgericht. En in 1892 werd de watertoren gebouwd om voldoende druk te krijgen op het waterleidingnet. In 1893 kwam in Deventer schoon water uit de kraan! En in Diepenveen? Ook daar nam de plan- en besluitvorming járen in beslag. Deelname aan een waterleidingmaatschappij betekende aandeelhouder worden en garant staan voor eventuele exploitatietekorten, een groot financieel risico zeker voor een armlastige gemeente als Diepenveen. En was het eigenlijk wel nodig? De waterkwaliteit werd als goed ervaren en veel huishoudens pompten water op met de hand of met een motorpomp. En verplichte aansluiting, zoals in de meeste gemeenten, zou ook voor de inwoners hogere lasten met zich meebrengen. De Deventer Courant deed in de jaren 1928-1934 regelmatig verslag over de voortgang. Zo wilden enkele eigenaren van percelen aan een deel van de Raalterweg in 1929 graag aansluiting op het Deventer waternet. Zij vonden de kwaliteit van het Diepenveense water slecht. Daar wilde de gemeenteraad niet in mee gaan, beducht als men was voor ‘annexatie' door Deventer. ‘En bovendien stinkt het Deventer leidingwater geweldig’. Daar werd vanuit Deventer begrijpelijkerwijs in de krant weer hard tegen geageerd, waarbij smaak- en reukvermogen van de Diepenveners in twijfel werden getrokken. Raadslid Dikkers van de gemeente Diepenveen pleitte in de krant herhaaldelijk voor aansluiting op het Deventer waterleidingnet. Hij was ervan overtuigd dat álle inwoners een aansluiting zouden nemen. En hij hoopte dat men daardoor ‘in de toekomst ook in Diepenveen hygiënischer zou worden door regelmatig een bad te nemen’. Daarnaast leek het hem van groot belang dat er brandkranen in de gemeente zouden komen, zodat de brandbestrijding makkelijker werd.
¬ Er komt schot in de zaak
In 1930 besloten Provinciale Staten de Drinkwatermaatschappijen Noord en West Overijssel samen te voegen tot de Waterleiding Maatschappij Overijssel (WMO). Diepenveen intensiveerde daarop het overleg over de aanleg van een drinkwaternet. Diepenveen had de keuze om aan te sluiten bij Deventer of om een eigen pompstation te bouwen, wat wellicht goedkoper was en de gevoelde afhankelijkheid van Deventer omzeilde. In 1931 zet de gemeente Diepenveen twee belangrijke stappen, waardoor een eigen water- oppompstation en drinkwaternet een stuk dichterbij kwamen:
- Op 5 november 1931 werd besloten f 100.- bij te dragen aan het startkapitaal van de in het leven te roepen stichting tot ‘den bouw en de exploitatie van de waterleiding voor de gemeente Diepenveen en omstreken’. De gemeente stond hierbij garant voor een ‘aan te gane lening voor f 50.000,-‘ en wenste daarbij dat de stichting akkoord ging met vrijwillige aansluiting van de inwoners op het net.- In dezelfde maand werd door de gemeenteraad van Diepenveen, op voorstel van het college, besloten om met maatschappelijk kapitaal deel te nemen aan de Provinciale Waterleiding Maatschappij Overijssel (WMO). Het betrof dertig aandelen à f 100,- per stuk, later uit te breiden met nog tien aandelen.
Men wilde volledig mee gaan doen.
¬ De aanleg begint
Men wist al geruime tijd dat er diep in de grond schoon drinkwater aanwezig was. Voor een proefboring was een goed toegankelijke terrein met weinig vervuiling noodzakelijk. Een geschikte plek leek een onteigend deel van het terrein Noordwijk, van de familie Dikkers aan de Diepenveense Puinweg te zijn. Maart 1932 vonden de eerste proefboringen plaats op een diepte van zestien meter. Dat leverde goed, schoon water op, zonder verontreinigingen. Daarop werd besloten te beginnen met de bouw van het pompstation. Ook kwamen er loodsen voor schaft- en slaapgelegenheid van het werkvolk , een kantoor voor de bouwkundig opzichter en een woning voor de fitter (installatiemonteur). Noodvoorzieningen zoals een opvang bij tijdelijke problemen met de pomp (noodbedrijf) en drie reinwaterkelders (reservoirs om bij piekbelasting extra drinkwater te kunnen leveren) werden ook aangelegd. Besloten werd, als eerste proef in ons land, Eternit-buizen (asbestcement) aan te schaffen voor het leidingnet. Dit was goedkoper dan de gietijzeren buizen die eerder werden gebruikt. Omdat er nog geen aannemers waren met ervaring in dit werk, deed de WMO de aanleg ineigen beheer. Op advies van het ministerie van Binnenlandse zaken werden in Nederland gemaakte pompen en motoren aangeschaft, onder het in deze crisistijd belangrijke motto: ‘Koopt Nederlandsche Waar, Zo Helpen Wij Elkaar’.¬ De laarzenstaking
De aanleg ging niet zonder slag of stoot. De gemeente Diepenveen pleitte er bij de WMO voor om werkloze arbeiders in te schakelen bij de aanleg. Dit zou voor 24 arbeiders een zeer belangrijk werkverschaffingsproject zijn gedurende tien weken. Het was immers crisistijd! Het verzoek werd ingewilligd, maar de arbeiders waren niet tevreden over hun werkomstandigheden. Het werd steeds natter in de sleuven die ze groeven, het water liep ze in de klompen. Dit leidde tot de laarzenstaking.De WMO wilde laarzen op afbetaling ter beschikking stellen. ‘Dat kunnen we niet betalen van ons loon vanaf 14,25 voor een werkweek van 47 ½ uur’, vinden de arbeiders en ze gaan daarop in staking. Ontslag opstaande voet volgt. De volgende dag gaat een aantal van hen naar het gemeentehuis en ze vragen de gemeente om laarzen ter beschikking te stellen. De gemeente wilde dit niet voor haar rekening nemen, maar wel garant staan voor de aanschafkosten. Het loon van de arbeiders werd verhoogd naar f 15,50 per week en daarvan wordt 50 cent afgehouden voor de afbetaling van de laarzen; de arbeiders kunnen weer aan het werk. In mei van dat jaar volgt alweer ontslag. Dit keer vanwege gebrek aan benodigde materialen. Maar twee weken later is dit opgelost en worden de ontslagen arbeiders weer in dienst genomen.
¬ Werkperikelen
Spaar bomen bij de aanleg van het buizenstelsel, verzoekt de gemeente aan de WMO. Houd anderhalve meter afstand van bomen en geef boomwortels ruimte. Dat gaat niet altijd goed. Het aan Staatsbosbeheer gevraagde advies hierover wordt aan de WMO doorgestuurd. Toch ging het nog herhaaldelijk mis en de gemeente verzocht de WMO arbeiders die in de fout gingen op staande voet te ontslaan. Dit werd toegezegd. De WMO ging ook akkoord met het verzoek van de gemeente om bij huurachterstand van de werklieden met een gemeentewoning de huur in te houden op hun loon. Van de Puinweg richting de dorpskern vorderde het werk gestaag. In augustus 1933 werd de dorpsschool aangesloten. Ook huurders van een gemeentewoning konden aangesloten worden als zij dat wilden. De pomp werd dan verwijderd en om spaarzaam watergebruik te bevorderen werd er één kraan aangebracht in de bijkeuken. Men besloot om nieuw te bouwen woningen verplicht aan te sluiten. Het buitengebied bleef verstoken van waterleiding, de aanleg was te kostbaar. Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog stopten alle werkzaamheden.
¬ Uitbreiding na de Tweede Wereldoorlog
Kort na het beëindigen van de oorlog werd de aanlegweer opgepakt en kreeg de Draaiomsweg aansluitingen. Ook de boerderij aan de Wetermansweg 24 werd aangesloten. De bewoners hadden het slimme plan bedacht om de waterleidingmaatschappij voor te stellen daarvoor zelf de sleuf te graven. Jan Nieuwenhuis vertelt het volgende daarover: 'Mijn vader heeft met paard en ploeg een sleuf dwarsdoor het weiland gegraven, richting Draaiomsweg. En daarna heeft hij die, samen met de dagloner, met de schop verder uitgediept. De bestrating van kleine steentjes voor de boerderij hebben ze opgenomen en later weer teruggelegd. Naast het gewone werk dat elke dag gedaan moest worden, was dat héél, héél veel werk. Maar daardoor werden we wel al in 1948, véél eerder dan de meeste boerderijen buiten het dorp, aangesloten op het waterleidingnet. En dat maakte het werk weer wat minder zwaar voor ons allemaal. Toen we nog geen waterleiding hadden, moesten we alle water dat we nodig hadden oppompen. Het water voor in huis, voor de dieren en gebruik in de geute(bijkeuken). We gingen daar zaterdags ook in de teil omgewassen te worden. Voor de drinkbak van de koeien was een leiding naar de deel aangelegd. Twee keer per dag moesten we zo’n twintig minuten pompen, tot alle koeien hun dorst gelest hadden. ’Het duurde nog geruime tijd voor in het buitengebied waterleiding werd aangelegd. In 1956 liet de WMO de gemeente weten van plan te zijn om ook de zogenaamde onrendabele gebieden aan te sluiten op het waterleidingnet. Het ging daarbij om percelen die op 100 tot 400 meter van de leidingen lagen. De gemeente werd gevraagd om bij te dragen aan het exploitatietekort en aansluiting verplicht te stellen. In de raadsvergadering van 19 april 1956 werd hier uitgebreid en heftig over gediscussieerd. In het buitengebied verplichte aansluitingen in het dorp vrijwillig, is dat wel eerlijk? Maar als niet iedereen mee zou doen, werden de kosten te hoog. De raad ging uiteindelijk akkoord met het voorstel de percelen in het buitengebied verplicht aan te sluiten op het waterleidingnet.
¬ De laatste aansluitingen
Tot in de jaren zestig kwam het nog voor dat er woningen en boerderijen waren die hun drinkwater zelf op moesten pompen. Soms met tegenzin, omdat er anderen waren die de aanleg tegenhielden. zoals bij Annie de Ruiter-Vosselbeld die op een boerderij aan de Sallandsweg woont: ‘Ik was een jaar of veertien toen wij waterleiding kregen in 1960 of 1961. De meeste buren waren pachters van baron Stratenus van Nieuw Rande. Onze boerderij hoorde daar niet bij, die was van mijn ouders, maar Stratenus had daardoor wel een beslissende stem in wat er wel of niet gebeurde in de buurt. Hij heeft de aanleg van waterleiding en ook elektriciteit lang tegengehouden. Waarschijnlijk vond hij het te duur, want de leidingen vanaf de openbare weg over eigen grond waren voor eigen rekening. Voor ons was het dus niet haalbaar om waterleiding aan te laten leggen. Tot de waterleiding kwam hadden we op de deel een pomp waarmee we water oppompten. Dit water was grondwater van onze eigen grond. De pomp moest met de hand worden bediend. Je hing een emmer of ketel aan de pomp, had je die vol dan ging je hiermee naar de keuken. Voor de dagelijkse wasbeurt gebruikten we water dat in een lampetkan op de slaapkamer stond. In de winter was dit nog weleens bevroren en moest je eerst het laagje ijs kapot slaan, voordat je het in de waskom kon gieten. We gingen één keer per week in bad, in de teil. Voordat zo’n teil vol warm water zat, dat duurde wel even. Van het aanleggen zelf weet ik eigenlijk niets meer. Er zal dwars door ons land vanaf de weg een flink eind gegraven zijn om de leidingen naar huis aan te leggen. Dat kostte natuurlijk best wat. Het zal mijn ouders wel zorgen gegeven hebben: zoals dat ging in die tijd hadden we goed te eten maar het was geen vetpot. Toen we eenmaal waterleiding hadden, zat er eerst alleen een waterkraan op de deel en een of twee kranen buiten.’
¬ De waterleidingmaatschappij
De WMO verzorgde de drinkwatervoorziening in grote delen van de provincie Overijssel en was ontstaan uit diverse kleinere maatschappijen. In de tweede helft van de 20e eeuw fuseerden in heel Nederland kleinere drinkwatermaatschappijen tot een groter geheel. In 2006 werden provinciale maatschappijen uit Friesland, Gelderland en Overijssel samengevoegd tot Vitens. Vitens levert momenteel water aan zes miljoen klanten, zowel particulier als zakelijk in Overijssel, Gelderland, Utrecht, Friesland, Flevoland en enkele gemeenten in Drenthe en Noord-Holland.
¬ Waar komt ons water vandaan?
Het water dat in Diepenveen uit de kraan komt, wordt gewonnen op twee locaties, in Boerhaar en in het waterwingebied rondom het pompstation aan de Randerstraat in Diepenveen (zie kaart). Omdat het water van Diepenveen vrij veel ijzer bevat, wordt het gemengd met het water van Boerhaar. Het Diepenveense water zit in een afgesloten laag tussen de 68 en 130 meter diep. Waarschijnlijk is het al enkele honderden tot 100.000 jaren oud. Het pompstation wordt ook wel het productiebedrijf genoemd. Op het terrein van het pompstation wordt het water uit de waterwinputten van Boerhaar en Diepenveen verzameld. Vervolgens wordt dit op een aantal manieren gefilterd en gezuiverd zodat het goed drinkwater wordt. Water nu en in de toekomst elke druppel duurzaam. In tegenstelling tot wat we altijd dachten, is de hoeveelheid water geschikt om te drinken in Nederland beperkt. Deels door toename van droge periodes en de (te) goede afwatering van oppervlaktewater, maar ook door de forse toename van het gebruik. Waterleidingmaatschappijen streven naar een zo manier om voldoende water te winnen, te filteren en rond te pompen. In Boerhaar en Diepenveen is in 2024 is gestart met het verduurzamen en verbeteren van de winning, oude winputten worden vervangen en vier nieuwe geslagen. De productielocatie in Diepenveen wordt vernieuwd, zodat er meer water op een betere manier gezuiverd kan worden. Zo wordt Elke druppel duurzaam. Op dit moment wordt er 6,15 miljoen kuub water per jaar uit de grond opgepompt en gezuiverd ten behoeve van Diepenveen, Olst en Deventer. Voorlopig kunnen we vooruit met ons eigen Diepenveens water. ¬ Bronnen
Collectie Overijssel: Notulen B en W Diepenveen 1928-1935
Notulen gemeenteraad Diepenveen 1930-1935Wim Coster: In de schaduw van de stad deel II
Deventer Courant 1928-1934
Website Vitens en website Provincie Overijssel
Wikipedia: Geschiedenis van leidingwater in Nederland
gesprekken met medewerkers van Vitens en
gesprekken met Annie de Ruiter en Jan Nieuwenhuis uit Diepenveen.
De in Diepenveen geboren kunstschilder Berend Jan Brouwer (1872-1936) schilderde tientallen landschaps-, bos- en stadsgezichten in de stijl van de Haagse School. Zijn schilderijen zijn romantisch van aard met als onderwerpen boerderijen, bossen, waterpartijen, kerken, kastelen en opvallend veel molens. Toepasselijk voor een molenaarszoon!
Zijn nazaten schreven een uitgebreide kroniek over Brouwer met familiefoto’s en afbeeldingen van een aantal schilderijen. Toch blijkt niet al zijn werk gedocumenteerd. Want in de zomer van 2025 zag ik toevallig bij kennissen in Deventer een onbekend olieverf Brouwer met de titel Ochtend aan de IJsel bij Deventer. Zij hadden het enkele maanden daarvoor aangekocht via een veilinghuis; oorspronkelijk was het van een inmiddels overleden anonieme Deventenaar. De nazaten Brouwer waren blij verrast en vragen zich nu af of er nog meer onbekend werk tevoorschijn komt.
Vanwege deze ‘ontdekking’ schrijf ik dit artikel over de Diepenvener Berend Jan Brouwer en zijn werk, met dank aan de kroniek van de nazaten.
¬ Molenaarszoon uit Diepenveen
Al op jonge leeftijd begint Berend Jan Brouwer met schilderen. Hij wordt geboren op 19 juli 1872 in Diepenveen in een Nederlands hervormde familie van molenaars- en bakkers. Tot 1854 wonen de Brouwers in de Vrolijke Boer, dat is nu de Brouwerij, Dorpsstraat 44. Daarna verhuist het gezin naar de Molenweg, waar een korenmolen met molenaarshuis staat. Garrit Brouwer (1826-1883) beheert daar vanaf 1870 de Randermolen. Garrit trouwt in 1871 met Frederika Johanna Tamminga-Wimmers (1837-1913), een weduwe uit Weerselo met vier kinderen. Ze krijgen samen in 1872 een zoon, Berend Jan, die na het overlijden van zijn vader enig erfgenaam is. Moeder Frederika hertrouwt met een jonge bakker en molenaar, Gerrit Lemmers, en blijft tot 1901 in het molenaarshuis wonen. Haar broer Pieter Hendrik Wimmers is onderwijzer op de dorpsschool.
Zoon Berend Jan (voor vrienden Barend) voelt niets voor het molenaarsvak. Als hij veertien jaar is ontmoet hij de bekende Haagse schilder Théophile de Bock (1851-1904). Deze huurt tussen november 1886 en september 1889 een deel van landhuis Oud Rande van de familie Cost Budde. De Bock schildert in de stijl van de Haagse school landschappen; de Veluwe en omgeving Deventer zijn bij hem in trek.
De Bock ontdekt het talent van Berend Jan en brengt hem de eerste beginselen van de schilderkunst bij. Een belangrijke ontmoeting, want zo rolt de jonge Brouwer het vak in. In 1888 maakt hij al een prachtig schilderij van de familiemolen en schildert hij ook andere landschappen bij het dorp. Ook besluit hij naar de Avondteekenschool in Deventer te gaan. Hij krijgt er onder andere les van Bartus Korteling (1853-1930). Korteling is lid van de bekende Deventer schildersfamilie en een zeer inspirerend leraar.
Brouwer komt in aanmerking voor een studiebeurs (ingesteld door koningin Wilhelmina). Hij vervolgt zijn studie aan de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Een van zijn leraren is portretschilder Albrecht De Vriendt (1843-1900). Later studeert Brouwer nog twee jaar aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag.
¬ Verkoop van de molen
Brouwer kan tijdens zijn studietijd rondkomen van zijn vaderlijk erfdeel en verkoopt al jong schilderijen. Zijn moeder en hij besluiten in 1901 om het molenaarsbedrijf openbaar te veilen. Ze gaan wonen aan Rande 52B, later Olsterweg 12 (inmiddels afgebroken). In juni 1904 verhuizen moeder (zonder Lemmers) en zoon naar Bergschild 6 in Deventer en een jaar later in juni 1905 naar Berg en Dal in de gemeente Groesbeek.
Brouwer betrekt daar een atelier in Villa Leonarda en schildert in de omgeving veel landschappen. Hij werkt – mogelijk in deze periode – ook in Twente en in de Belgische Kempen.
Enkele maanden voor het overlijden van moeder Frederika trouwt Brouwer op 4 september 1963 met Catharina van Dreumel (1883-1972), de gezelschapsdame van zijn moeder. Zij komt uit Hatert bij Nijmegen. Het echtpaar krijgt drie kinderen: Frieda (1914), Paul (1915) en Puck (1922).
¬ Naar Den Haag
Het artistieke klimaat in Den Haag trekt de kunstenaar. In Den Haag is immers het schilderkunstgenootschap Pulchri Studio en de Haagse Kunstkring. Het gezin verhuist in 1919 naar Den Haag, later naar Rijswijk en vanaf 1923 naar Voorburg. Brouwer wordt lid van het genootschap Arti et Amicitae in Amsterdam, dat ook tentoonstellingen organiseert. Hij maakt diverse kunstreizen en brengt veel werk mee naar huis. Twee jaar voor zijn dood, op 23 maart 1936, besluit Brouwer katholiek te worden. Hij overlijdt op 63-jarige leeftijd in zijn woonplaats Voorburg.
¬ Werk over Diepenveen
In zijn jonge jaren schildert Brouwer diverse landschappen in en rond Diepenveen. In 1888 vereeuwigt hij de molen van zijn vader in het werk Molen te Diepenveen, hij is dan pas zestien jaar. Hij maakt in 1888 ook een Dorpsgezicht met de Kloosterbrug, de Zandwetering, de kerk en boerderij Rander Klooster.
Van het schilderij Vijver op Nieuw-Rande uit 1889 is helaas geen afbeelding bekend. Wel weten we uit het Deventer Dagblad van 23 november 1891 dat dit schilderij geveild werd voor twintig gulden, uit de nalatenschap van ene C. van Eck uit Deventer. Deze had ook (nu onbekend) schilderij Kudde schapen in zijn bezit, geveild voor achttien gulden. Van Eck was kennelijk een liefhebber van het werk van de jonge Diepenvener!
In 1897 maakt Brouwer het schilderij Winterlandschap, dat de Zandwetering vanaf de Kloosterbrug richting Olst verbeeldt. Dit werk wordt volgens het Deventer Dagblad van 2 oktober 1898 geëxposeerd in de stad. Het is nu in bezit van Museum Swaensteyn in Voorburg, waar Brouwer jarenlang heeft gewoond.
Brouwer maakt ook een Gezicht op huis Oud Rande, helaas is daarvan geen goede afbeelding bekend. In 1903 schildert hij Kolk in Diepenveen, welke kolk is echter niet duidelijk. Dit werk bevindt zich in het Museum Deventer Verhaal. Ook de Schapenzandweg in Diepenveen wordt door hem vereeuwigd; het is in familiebezit. Hij schildert na zijn vertrek naar Groesbeek en later Den Haag vooral daar in de omgeving, al maakt hij in 1926 nog schilderijen in Deventer.
Helaas zijn er ook schilderijen, mogelijk van Diepenveen, verloren gegaan bij een brand in Nederlands-Indië. Het echtpaar Bosch-Roetert Steenbruggen kocht een aantal landschappen en nam die mee bij hun vertrek naar de Oost in de jaren dertig. Helaas zijn er geen foto’s bekend.
¬ Snelle schilder
In zijn beginperiode rond 1900 exposeert Brouwer met zijn landschappen op diverse exposities: Arnhem (1897 en 1901), Deventer in 1902 bij Kunsthandel Kreunen, Rotterdam (1902), Amsterdam (na 1903) en Nijmegen (1907). Ook in het buitenland, onder andere in München, laat hij zijn werk zien.
De recensent van De Prins der Geïllustreerde Bladen schreef in maart 1907 het volgende: “Brouwer heeft een der hoofdeigenschappen van zijn eersten en voornaamsten leermeester Théophile de Bock overgenomen, nl. een bewonderenswaardig productievermogen, dat hem tot een der vlugste werkers onder onze hedendaagse schilders maakt.”
Brouwer produceert tientallen schilderijen, verkoopt redelijk en kan van zijn werk leven. Een echte ‘broodschilder’. Veel gaat via de internationale kunsthandel naar Engeland en de VS. Volgens een artikel in de Katholieke Illustratie (1919) had Brouwer een innemende persoonlijkheid en leidde hij bezoekers graag rond in zijn atelier.
¬ Vervalsing
Merkwaardig is dat op een aantal bosgezichten van Brouwer, die veel op het werk van De Bock lijken, de signaturen zijn vervangen door ‘Th. de Bock’, zoals vermeld in het Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950 van Pieter Scheen. Diens schilderijen zijn namelijk veel meer waard, vooral in Engeland en de VS. Waarschijnlijk hebben deze vervalsingen pas na het overlijden van Brouwer (1936) plaatsgevonden.
In een tijd zonder internet en rijk geïllustreerde veilingcatalogi was het makkelijk (voor malafide kunsthandelaren) om een werk van een kleine meester ‘om te vormen’ naar een werk van een bekend kunstenaar. Er zijn mogelijk nog werken van Brouwer met een verkeerde signatuur.
In 1926 schildert Brouwer IJselgezicht op Deventer, nu in Museum Deventer Verhaal. Mogelijk maakte hij in deze tijd ook het niet gedateerde Ochtend aan de IJsel bij Deventer, waarop de Lebuinuskerk en de schipbrug te zien zijn. Hij schilderde ook wel portretten, maar vooral van zijn eigen gezin.
¬ Onbekende schilderijen van Brouwer?
Af en toe komen er nog onbekende werken te voorschijn. Zowel de nazaten als de Historische Vereniging worden graag op de hoogte gebracht!
¬ Brouwers bankje
In 1870 overlijden de grootouders en een oom van kunstschilder Berend Jan Brouwer binnen een tijdsbestek van twee maanden. Hun grafzerken liggen op het Kerkplein. Dit zijn molenaar en bakker Jannes Lambertus Brouwer (1816-1870), zijn echtgenote Margretha Noteboom (1826-1870) en hun zoon Berend Jan (1847- 1871), naar wie de kunstschilder is vernoemd. De broer van Jannes, Garrit Brouwer, is de vader van kunstschilder. De nazaten Brouwer hebben bij de zerken een bankje laten plaatsen (zie DiepenvEens 44).
¬ Literatuur
Pieter Scheen, Lexicon Beeldende Kunstenaars. 1750-1950. Den Haag 1969-1970
H.J. van Baalen, Deventer en zijn schilders (19e en 20ste eeuw). 3e druk. Twello 2002.‘Kunstschilder Barend Brouwer en zijn oeuvre’, in: De lotgevallen van de familie Brouwer. Deel 2. Dalfsen 2013.
De molen aan de Molenweg en Kunstschilders. Canon van Diepenveen.
Jeroen Kapelle en Ulbe Anema, Théophile de Bock (1851-1904). Landschapsschilder, verbinder, organisator. Zwolle 2025
DE DUIVEL ZEGT DAT IK TE VEEL PRAAT
Het Zusterboek van Diepenveen in jip-en-janneketaal
[Evert F. Weltevreden: DiepenvEens 54 maart 2026]
Bewerking van en commentaar op MSCA-Project: “Women Making Memories: Liturgy and Remembering Female Body in Medieval Holy Women’s Texts”. Funded by the European Union. Marie Sklodowska-Curie grant agreement No 842443. Translating sins and psalms in the Diepenveen Sister-book. Door G.G. Perk.
In 1416 stierf Ghertruut van Rijssen, een jonge non in het klooster van Sint-Maria en Sint-Agnes in Diepenveen. De andere nonnen stonden om haar heen. Ze was heel ziek en bang. Toen ze bijna dood was, zei ze dat de duivel haar vertelde dat ze te veel praatte en dat dat een grote zonde was. ‘De duivel zegt me dat ik te veel praat…….. Ik wist niet dat dat zo'n grote zonde was’, (185v, Zusterboek van Diepenveen, versie DV). De andere zusters waren daar verbaasd over, want in die tijd dachten mensen dat praten en roddelen slecht was, zeker voor vrouwen in een klooster.
Het verslag van Perk ging over hoe mensen in die tijd teksten vertaalden en aanpasten, vooral in kloosters. Ze ‘vertaalden’ psalmen en gebeden naar het Middelnederlands, zodat meer mensen het konden begrijpen. Maar vertalen was niet altijd makkelijk: je moest goed opletten dat je de juiste betekenis overbracht, zonder eigen interpretatie.
Beschuldigingen door de duivel zijn bekend uit vele middeleeuwse verhalen. En Kloosterregels waarschuwden destijds in vrouwenkloosters voor loslippigheid.
Omzetten van tekst, ‘vertalen’, is vaak moeilijk, zeker als je een tekst in jip-en-janneketaal wil omzetten. De interpretatie, het daarbij uitleggen van de betekenis, is overigens een blijvende bron van discussie. Dat laatste kennen we maar al te goed uit meerdere Bijbelvertalingen. Die zijn niet allemaal strikt gebaseerd op het oorspronkelijke Hebreeuws.
Zusterboeken, bevatten biografieën (vitae) in de volkstaal geschreven door en voor nonnen of semi-religieuze vrouwen. Het Zusterboek van Diepenveen gaat over de stichter van het klooster en de levens van de nonnen, ook informatief voor intredende zusters. Het zusterboek werd gekopieerd, samengesteld en bewerkt door de non Griete Essinchghes, die daarmee klaar was in 1524. Eigenlijk werkten er minstens drie medeauteurs aan mee. Griete probeerde te laten zien dat Ghertruut echt moeite had met spreken en dat haar woorden moeilijk te begrijpen waren. Soms vertaalde ze woorden letterlijk, soms probeerde ze de gevoelens en de situatie te verhelderen. Ze liet ook zien dat spreken of zwijgen in die tijd belangrijk was: praten kon goed zijn, maar ook gevaarlijk, vooral als het ging om roddelen of ongepast taalgebruik. Griete twijfelt soms of ze wel alles goed heeft vertaald. Ze probeerde de woorden van Ghertruut zo goed mogelijk over te brengen, maar het bleef moeilijk.
Het zusterboek is afkomstig uit het klooster van Sint-Maria en Sint-Agnes, een klooster van Reguliere Augustijner Kanunnikessen in Diepenveen, een dorp ten noorden van de Hanzestad Deventer. Het klooster behoorde toe aan de Moderne Devotie, een hervormingsbeweging die tussen de veertiende en zestiende eeuw bloeide in de Lage Landen en de Duitstalige landen. Moderne Devoten wilden door middel van lezen, meditatie en schrijven hun religieuze gevoelens opnieuw vormgeven. Lokale vertalingen van de Schrift, getijdenboeken en psalmen ondersteunden deze vernieuwing. Sleutelfiguren van de Moderne Devotie zoals Geert Groote (1340-1384) en Gerard Zerbolt van Zutphen (1367-1398) stimuleerden het vertalen en schreven ook zelf vertalingen. Hoewel zij ook teksten in de volkstaal gebruikten, van de nonnen werd overigens verwacht dat ze de Latijnse taal kenden om hun dagelijkse diensten te bidden.
Griete probeerde de woorden en gevoelens van Ghertruut zo goed mogelijk over te brengen, maar ze maakte ook eigen keuzes bij het schrijven om de gevoelens en situatie beter over te brengen. Ze gebruikte herhaling en vertaalde bepaalde psalmen op een manier die afweek van de standaard-vertalingen. Dit laat zien dat ze soms haar eigen interpretatie in de vertalingen aanbracht, wat niet past bij de strikte regels van Geert Groote.
Helaas bestaat er nog geen toegankelijke Nederlandse of Engelse vertaling van een Middelnederlands zusterboek. Een belangrijke reden daarvoor is, dat het vertalen van zulke oude en complexe teksten heel moeilijk is. Een vertaler moet ten eerste goed op de hoogte zijn met die tijd en cultuur. Hij moet ook nog eens kiezen tussen het juist overbrengen van de originele betekenis of het begrijpelijk maken voor moderne lezers. Binnenkort verschijnt er een Engelse vertaling.
In het eerste deel van Perks analyse neemt Griete Essinchghen de vrijheid om bij het schrijven zelf de juiste context van bepaalde woorden te duiden. Rond het sterfbed van Ghertruut van Rijssen blijven de nonnen de zeven boetepsalmen luid reciteren om het sterven voor haar makkelijker te maken en haar lijden in het vagevuur te verlichten. Opvallend is dat Griete de ‘lezing’ probeert af te sluiten met een Middelnederlandse vertaling van het Gloria Patri's ‘et semper, et in saecula saeculorum’ (en zal er altijd zijn, wereld zonder einde). ‘Daarna begon Ghertruut te schreeuwen op zo'n vreselijke en luide manier: Eeuwig en altijd, eeuwig en altijd, altijd, altijd!’ Een zuster telde twaalf opeenvolgende kreten. Griete zou hier afwijken van de volkstaal, die de zusters van haar zouden verwachten: Geert Groote ‘altoos ende ewelic sonder eynde’ (Weiler).
Volgens sommigen zouden herhaling en rijm de heilige betekenis van gesproken tekst kunnen verhullen. De Middelnederlandse vertaler van Tondalus’ visioen waarschuwt: ‘rijm verwart al het spirituele schrijven’. Door de betekenissen overhoop te halen, zet Griete woorden uit de psalmen tegenover die in de vita. Haar eigen taal verschilt van die in de Schrift en onderstreept dat God geen genade met Ghertruut lijkt te hebben. Op deze manier trotseert Griete Essinchghes de voorkeur van de Moderne Devotie voor een orthodoxe vertaling. Ze legt er te veel haar eigen interpretatie in en creëert daarmee ruimte voor ‘dwaalleer’ tussen de Latijnse psalmen en hun vertalingen in de volkstaal.
Zerbolt wees daar destijds al op. Hij gaf ‘handen en voeten’ aan vertalen in zijn Super modo vivendi, waarbij hij taalkundige en leerstellige getrouwheid als elkaars toetssteen introduceert: ‘men moet er nauwlettend en zeer zorgvuldig op letten dat boeken die in de gewone talen zijn vertaald, passend worden vertaald. Omdat dergelijke boeken vaak fouten bevatten die het gevolg zijn van fouten door onhandige of onzorgvuldige vertalers’. Zerbolts gebruik van het Middelnederlandse ‘doling’, letterlijk of leerstellig afdwalen, geeft aan hoe taalkundige en dogmatische grenzen symbolisch in elkaar overlopen.
In het tweede deel van de aangehaalde analyse, lijkt schrijver Griete deze valkuil te omzeilen door de weergave van Ghertruuts inbreng te presenteren als een gezamenlijke getuigenis over een bepaalde periode. Het zusterboek laat zien dat één zuster probeert de woorden van Ghertruut bijna fysiek over te brengen, terwijl het een gezamenlijke inspanning zou zijn: ‘.…toen een zuster dacht dat [Ghertruut] iets onverstaanbaars in haar oor fluisterde en ze begreep dat ze iets zou willen zeggen, maar dat ze dat niet kon. Maar meteen daarna hoorde ze [het]’ (183v). Het letterlijk en figuurlijk samenvoegen van ‘trecken’ (uitleggen én vertalen) laat zien hoe verstrengeld de ervaringen van de zusters werden weergegeven door Griete als enige ‘schrijvende zus’, verteller en auteur. Glijdend in de tegenwoordige tijd en eerste persoon meervoud, verklaart Griete dat ‘we echt niet weten’ of de uitingen van Ghertruut betrekking hadden op God, die geprezen moest worden, of op Ghertruuts liefde voor de zusters (186v). Dit druist in tegen Geert Groote's gewoonte om altijd het meest duidelijke, heldere alternatief te gebruiken. De tegenwoordige tijd en de eerste persoon meervoud vormen bovendien een zogenaamde vertelknoop, een collectieve taalhandeling, die reikt tot in de tijd van het lezen, zelfs tot in het nu. Volgens Bollmann vervaagt het door elkaar gebruiken van 'wij' en 'ik' de afstand tussen de tijd van het verhaal en de tijd van het vertellen. Overledenen, bijna vergeten voorouders of Diepenveense nonnen, komen daardoor als het ware weer tot leven.
¬ Slotsom
Wat heeft de ‘vertaling’ van deze vita aan het licht gebracht? Grietes onbehagen benadrukt hoe Ghertruut duidelijk afwijkt van het zusterboeksjabloon van geduldig sterven door daar in haar tekst vrome, kernachtige zinspreuken tegenover te stellen. Griete brengt het ‘afschilderen’ van Ghertruut en de gemeenschap niet verder dan in onzeggen of apofase, een stijl waarbij je iets benoemt door te doen alsof je het juist niet wilt noemen. Zoals in: ‘ik ga niet zeggen dat ik gelijk heb, maar.....’. De lezer wordt geacht de afloop in zijn of haar hoofd te voltooien. Dit past eigenlijk niet bij de traditie van de Moderne Devotie, waarbij het juist ging om duidelijk zijn, niet ‘weg te kijken’ en misstanden aan de orde te stellen. In een ander zusterboek, dat van Deventer, waarschuwden overleden zusters wel voor babbelen en roddels, zelfs bij overigens voorbeeldig gedrag. Oudere zusters zouden nooit ijdele spraak gebruiken Uiteindelijk laveert Griete hier tussen spraakzaamheid en dwaalleer om de gemeenschap tot stilte te manen. Een situatie, vergelijkbaar met de metafoor van Scylla en Charybdis uit de Griekse mythologie, die symbool staat voor de keuze tussen twee gevaarlijke opties. Dit kan betekenen, dat zij zich bewust was van de gevaren van beide en zich probeerde te bewegen in een gebied waar ze haar ideeën kon delen zonder in de val van dwaalleer te trappen.
¬ Bronnen
‘Hier Beghint Dat Leven En Starven Onses Eerwerdighen Vaders Heer Johan Brinckerinck’, onbewerkt manuscript, Athenaeumbibliotheek, Deventer 1524. MS 101 E 26 KL. https://athenaeumcollecties.nl/collecties/topstukken/detail/obe4351e-3487-11e6-9603 b3eb7ac8b442/media/fcf7388d-b83e-b29c-fdf2-226aa1302fc5
‘Dead Sisters Do Tell Tales: A Theatrical Reading of Modern Devout Sisterbooks’. Leeds International Medieval Congress, written, produced and translated by Marly Terwisscha van Scheltinga, Lieke Smits and Godelinde Gertrude Perk, July 4th 2018.
Bolmann, Anne. ‘Memoria Für Die Zukunft. Zur Gestaltung Von Erinnerung in Den Schwesternbüchern Der Devotio Moderna’. The Medieval Low Countries, vol. 2, 2015, pp. 155-185.
Dijk, Mathilde van. ‘En Zuster Jutte Lachte. Vroom en Vrouwelijk in Het Zusterboek’ Het ootmoedig fundament van Diepenveen, zeshonderd jaar Maria en Sint-Agnesklooster 1400- 2000. IJsselacademie, 2002, pp. 95-112.
Groen-Bekema, José. Het Zusterboek. Zelfverloochening in het vrouwenklooster te Diepenveen 1400-1578. Historische reeks Diepenveen. November 2006.
Lewis, Gertrud Jaron. By Women, for Women ans About Women: The Sister-Books of Fourteenth-Century Germany. Pontificiak Institute of Mediaeval Studies, 1996. Studies en texts vol. 125.
Scheepsma, Wybren. Het ootmoedig fundament van Diepenveen: zeshonderd jaar Maria en Sint-Agnesklooster 1400-2000. IJsselacademie, 2002.
Weiler, Anton G. ed. Getijden van de Eeuwige Wijsheid van Geert Grote. Ambo, 1984.
De pioniers van het vrouwenklooster van Diepenveen
[Wim de Weer: DiepenvEens 54 mrt 2026]
¬ Voorwoord.
De Moderne Devotie is een laat veertiende-eeuwse pre-reformatorische beweging geïnitieerd door Geert Grote uit Deventer. Volgelingen zoals Florus Radewijn, Thomas van Kempen, Johannes Vos en vele anderen stichtten in Noord-West Europa zo’n honderd kloosters waaronder circa vijftien vrouwenkloosters. Al deze kloosters werden qua gezag onder het hoofdklooster van Windesheim geplaatst. Het Diepenveense vrouwenklooster, dat werd aangestuurd door Johannes Brinckerinck en de zusters uit het Meester Geertshuis, had onder de vrouwenkloosters een voorbeeldfunctie. Er wordt wel eens gezegd ‘Wat Windesheim onder de mannenkloosters was, was Diepenveen onder de vrouwenkloosters’. Veel van de zusters uit Diepenveen werden, met Hille Sonderlants en Griete Daegens als grote voorbeelden, uitgezonden naar andere vrouwenkloosters om deze te hervormen volgens de leefregels van Augustinus en te voldoen aan de eisen die Windesheim stelde.
¬ Stichting van het Diepenveense vrouwenklooster.
W.J. Kühler schrijft in zijn boek ‘Johannes Brinckerinck en zijn klooster in Diepenveen’ het volgende: ‘Op 17 juni 1400 had Johannes Brinkerink de oudste en voornaamste zusters van het Meester-Geertshuis bijeengeroepen en hun verteld van zijn plan om een modelklooster voor vrouwen te stichten naar het voorbeeld van het mannenklooster te Windesheim. Hij had zijn oog laten vallen op een stuk land ‘de Plecht’ dat was gelegen ten noorden van Deventer. De zusters van het Meester-Geertshuis hadden deze wat hoger gelegen zandduin vlak naast de wetering kort daarvoor gekocht. Iedereen was enthousiast en al spoedig verhuisden de eersten naar dit onherbergzame gebied. Het was een merkwaardig schouwspel. De zusters met bijl en spade in de hand begonnen de grond te bewerken en kuilen te vereffenen en zij bouwden voor hunzelf lemen hutten en een houten kapelletje. Natuurlijk waren er ook lekebroeders die hielpen en Brinkerinck had ook nog gewone werklieden in dienst genomen.’
Eén van de pioniers van het eerste uur was Hille Sonderlants afkomstig uit het Meester Geertshuis, die zich ontpopte als leidster van de groep. Hille werd geboren in Kleef als dochter van aanzienlijke ouders. Zij had een goede opleiding genoten, schreef en sprak ongetwijfeld vloeiend Latijn. De andere pioniers van het eerste uur waren Griete Daegens, Gese Boevynks, Efse Hodden en Zwedera van Runen. Spoedig volgden ook Elsebe Hasenbroecks en Truide van Beveren. Deze laatste drie zusters waren gehuwd geweest en waren daarom destijds geweigerd om in het Meester Geertshuis te wonen vanwege de strenge regels die Geert Groote had opgesteld. Zij waren dan ook blij dat Brinckerinck hen nu zo kon helpen. Kort daarna kwamen ook Truide van Roekel en Griete Kerstkens. De eerste jaren waren extreem zwaar vooral door de vaak strenge vorst in de winters(1) . De oudere rijke weduwe Zwedera Van Runen(2) , blij dat ze dit alles nog kon meemaken, stierf reeds in 1406. Al haar bezittingen liet zij na aan het klooster.
Qua hiërarchie viel het klooster eerst onder het geestelijk gezag van de Mariaparochie in Deventer, terwijl er veel hulp kwam van het Meester Geertshuis. Deze zusters hadden veel geld geleend voor de bouw. Toen hierover later in het Meester Geertshuis wrevel ontstond betaalden de zusters uit Diepenveen het geld allemaal terug. De voorschotten van het Meester Geertshuis konden dus allemaal worden terugbetaald, omdat veel geld was binnengekomen door de collectereis die Johannes Brinckerinck in het Oversticht had gemaakt. De band met de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Deventer, waar het klooster formeel dus onder viel, werd afgekocht met een jaarlijkse bijdrage. Vanaf dat moment opereerde het klooster in Diepenveen geheel zelfstandig onder leiding van Brinckerinck en Hille Sonderlants. Dit was ook gewenst, omdat men vanaf het begin het plan had opgevat om een klooster te bouwen en dit te zijner tijd in te lijven onder het (hoofd)klooster van Windesheim. De bisschop van Utrecht, Frederik Blankenheim, een begunstiger van de Moderne Devotie, had zijn toestemming gegeven voor de bouw van dit klooster van de orde van de Heilige Augustinus. Na aandrang van Johannes Vos, de prior van Windesheim, was het gelukt diverse bezwaren in 1407 weg te nemen.
Diepenveen mocht nu eindelijk officieel een klooster worden. Men koos voor de inwijding van de twaalf eerste zusters de datum 21 januari, de dag van de beschermheilige Sint Agnes, van het volgende jaar 1408. De inkleding had plaats in de kleine kapel(3) . De prior van Windesheim, Johannes Vos, leidde de inwijding. De namen van de zusters waren: Hille Sonderlants, Geertruid Monickes, Griete Daegens, Elisabeth van Delft, Dymme van Rissen, Truide Schutten, Swene en Geertuid van Poorten(4) , Mechteld van Apeldoorn, Geertruid van der Lyst, Elsebe Hasenbroecks en Truide van Beveren. De eerste drie legden dezelfde dag hun professie af, de overigen werden een jaar novitae. Tot rectrix (de functie van priorin) werd aangesteld Hille Sonderlants. De aanstelling was een voorlopige maatregel, die men in nieuwe kloosters altijd nam totdat de zusters later gezamenlijk een leidsvrouw konden kiezen. Griete Daegens werd sub-priorin en Geertruid Monickes cantrix en vestiaria.
Kort daarna in 1408 traden nog acht jonge zusters toe samen met Salome Sticken, die de begeleiding van deze groep op zich nam. Ik vermoed dat deze drie krachtige leidsters (Hille, Griete en Salome) teveel van het goede waren. Daarom werd Griete Daegens al in 1410 als priorin benoemd in het klooster Barberendaal te Tienen in België. Zij stelde daar orde op zaken en keerde na tien jaar terug naar haar geliefde Diepenveen. Korte tijd later begeerde men haar in het klooster Betanië bij Arnhem en later werd zij aangesteld om ook het klooster Klaarwater bij Hattem te hervormen. Hier ondervond zij nogal wat tegenwerking en keerde nog éénmaal terug naar haar ‘aardse paradijs’ (Diepenveen). Zij stierf er in 1452.
¬ Onder de hoede van Windesheim.
Toen in 1412 de bouw van de grote kloosterkapel (de huidige Dorpskerk van Diepenveen) was voltooid, werd het klooster ingelijfd bij het kapittel van Windesheim. De zusters zelf moesten een nieuwe wettige priorin kiezen. Het werd Salome Sticken, hoewel Hille Sonderlants haar betrekking als rectrix altijd uitstekend had vervuld. Je zou kunnen zeggen dat Salome in een gespreid bedje kwam. Hille verliet niet lang daarna het klooster en werd priorin van het klooster Mariënveld (ook wel bekend als het Oude Nonnenklooster of Sint-Mariënconvent) te Amsterdam. In een volgende editie van DiepenvEens zal een artikel aan deze zeer getalenteerde Hille Sonderlants worden gewijd.
Het Diepenveense vrouwenklooster bleef een belangrijke rol spelen bij de verspreiding van de Moderne Devotie en diende als inspiratiebron voor vele andere kloosters. Onder leiding van Windesheim groeide het klooster uit tot een centrum van religieuze hervorming en discipline. De invloed van de zusters strekte zich uit tot ver buiten Diepenveen door de hervormingen, die niet alleen de kloosters, maar ook het bredere religieuze en sociale leven in de regio beïnvloedden. Het klooster werd niet alleen een plaats van spirituele toewijding, maar ook een bastion van intellectuele ontwikkeling en educatie, waar de zusters hun kennis en vaardigheden deelden met de gemeenschappen om hen heen. In totaal zijn er vijftien andere kloosters bekend die door Diepenveense zusters zijn hervormd.
1 Het was de aanloop naar de Kleine IJstijd die officieel in 1430 begon.
2 Mede dankzij haar genereuze schenkingen kon in 1400 met de bouw van het klooster worden gestart.
3 De kleine kapel stond tegenover de oude ingang van de huidige kerk (voormalige kloosterkapel).
Via een kloostergang kon je in beide komen.
4 Zij waren dochters van de Deventer schepen Johannes ter Poorten.